Lees bij ons de komende weken de prachtige verhalen over het Twentse theaterleven door de jaren heen, geschreven door Marco Krijnsen. Over legendarische optredens van grote namen en bijzondere momenten achter de coulissen. Acteurs, musici, cabaretiers en dansers: ze komen allemaal voorbij in historische gebeurtenissen en grappige anekdotes. Verzameld door Marco Krijnsen, regiohistoricus voor Twente en schrijver van verhalen, reportages, interviews en boeken.

#13 Eerste schouwburg een zaak van notabelen

Eind 19e eeuw wordt de basis gelegd voor de culturele infrastructuur van ons land. De Groote Schouwburg van Rotterdam opent zijn deuren, net als Carré in Amsterdam. In Utrecht vindt een grote verbouwing van de schouwburg plaats. En ook Enschede krijgt in 1889 een nieuwe concert- en schouwburgzaal met 300 plaatsen. Initiatiefnemer is de Grote Sociëteit, een herenclub met de notabelen van de stad. Het in 1810 opgerichte gezelschap voelt een groeiende behoefte aan culturele activiteiten. Bij de opening van het nieuwe gebouw aan de Langestraat speelt de Arnhemsche Orkestvereniging onder leiding van dirigent Kwast een concert.  
In Hengelo gebeurt iets vergelijkbaars. Daar groeit het voor de katoenhandel bedoelde gebouw De Beurs uit tot cultureel ontmoetingscentrum voor de leden van sociëteit Eensgezindheid (voornamelijk plaatselijke fabrikanten). In 1887 wordt een concertvereniging opgericht, die het hele jaar door concerten programmeert. Ook hier mag de Arnhemsche Orkestvereniging het spits afbijten. Eduard Verkade, directeur van de Hengelose Trijpweverij, wordt enkele jaren later lid van de concertvereniging. Hij ontwerpt en beschildert hoogstpersoonlijk de decors van De Beurs. Toch zijn de toneelgezelschappen niet erg te spreken over de primitieve omstandigheden in het gebouw. Ze klagen over de kleine, slordige en soms tochtige kleedkamers en het krappe toneeltje. Een ‘echte’ schouwburg komt er in 1913, als het Concertgebouw aan de Beursstraat officieel wordt geopend. 
Beide schouwburgen blijven lang een zaak van notabelen, die als aandeelhouder van de naamloze vennootschap nauw verbonden zijn. Pas vanaf de jaren vijftig nemen de plaatselijke overheden die rol over.  

#12 De beste Madame Butterfly

Wie Madame Butterfly zegt, kan niet om Anneke van der Graaf heen. Bij Opera Forum vertolkt ze de rol in de gelijknamige opera van Puccini ontelbare keren. “Er is in het naoorlogse Nederland geen Butterfly geweest zoals ik”, zegt ze zelf. “God, wat hield ik van die rol.” 
Van der Graaf ontvangt als eerste zangeres in Nederland na de oorlog de Prix d’Excellence en trekt daarna als concertzangeres door heel Europa, van Rome tot Parijs. In 1955 komt ze bij het net opgerichte Opera Forum in Enschede terecht, waar ze als sopraan tot 1972 een vaste waarde wordt. Tijdens een van de producties ontmoet ze tenor Harry France. Ze worden verliefd en staan op het punt te trouwen. Maar dan slaat het noodlot toe. Op Paaszaterdag 1975, vijf dagen nadat hij haar ten huwelijk heeft gevraagd, overlijdt France plotseling. 
Ook in ander opzicht laat de operacarrière zijn sporen na. Van der Graaf houdt een hartinfarct over aan het hectische leven. “Forum slokte me helemaal op. Helemaal. Die busreizen en dan thuiskomen om drie uur ’s nachts: een normaal leven was niet mogelijk. De werkdruk was ook enorm. Mijn slechte gezondheid heb ik te danken aan Forum, en aan Forum alleen. Al had ik het natuurlijk voor geen goud willen missen.” 
Een opmerkelijk tussendoortje is haar deelname aan het Nationaal Songfestival van 1958. De concurrentie in de voorronde is ongekend sterk met Greetje Kauffeld, Willy Alberti, Rita Reys en Corry Brokken. Laatstgenoemde zal later het Eurovisie Songfestival winnen met ‘Een beetje’.  
Na haar afscheid bij Opera Forum wordt Anneke de Graaf zanglerares in Haaksbergen. Een van haar bekendste leerlingen is Ernst Daniël Smid. De Graaf overlijdt in 2009.

(Bron: ‘En Route: de geschiedenis van Opera Forum Filharmonisch’) 


(Foto: Fotoarchief Brusse)

#11 Couperus doorleeft ‘het eens zelf gewrochte’ 

Ruim twee jaar na de officiële opening ontvangt het Concertgebouw in Hengelo een bekende cultuurdrager. Schrijver Louis Couperus verzorgt op zondagmiddag 23 januari 1916 een lezing. Het is een van de eerste matinees en de belangstelling voor de ‘artiest-grandseigneur’ is volgens de krant heel behoorlijk. 

Het is allemaal te danken aan eerste-luitenant Lex van Blijenburgh. Deze is tijdens de Eerste Wereldoorlog commandant van het derde eskadron wielrijders, dat in verband met de oorlogsdreiging in Hengelo is gelegerd. Van Blijenburgh en zijn vrouw Charlotte zijn sinds 1915 goed bevriend met Couperus, die dan regelmatig lezingen Den Haag en omstreken geeft.  
In januari 1916 is de schrijver dus in Hengelo. Het Concertgebouw is voor hem extra mooi aangekleed met planten en een ruiker seringen. Couperus leest die winterse middag voor uit De ongelukkige en blijkt meer een schrijver dan een podiumartiest, schrijft de recensent van de krant de volgende dag. “Hij is geen voordrager van professie en training, zijn orgaan mist omvang en noodwendige oefening. Hij spreekt van nature te hoog, sommige klanken worden geknepen.” 

Niettemin wordt het optreden geprezen: “Hoe doorvoelt en doorleeft Couperus opnieuw het eens zelf gewrochte, hoe weet hij te accentueeren, te schakeeren, hoeveel kleur en reliëf weet hij te geven aan het beschrijvende, hoeveel beweging aan het dramatische in zijn verhaal!’’ 

Foto afkomstig uit het boek “Doek op!” van Marco Krijnsen.


Louis Couperus in 1923

#10 Van de kaart door Mahler

Jaap van Zweden wordt in december 1995 gestrikt als nieuwe chef-dirigent van het Orkest van het Oosten. Hij is tot dat moment vooral bekend als eerste violist van het Concertgebouworkest. Van Zweden blijkt al gauw een enorme perfectionist. Op een dag valt hij uit naar een orkestlid, dat verkeerd inzet tijdens de repetities. “Sorry, ik kan toch een keer een fout maken, Jaap?”, zegt de musicus. Van Zweden legt daarop zijn stokje neer en antwoordt: “We zitten hier met 88 man. Als iedereen nou een fout maakt, dan heb je 88 fouten.” 
De dirigent stuwt het orkest op naar grote hoogte. Er zijn succesvolle optredens in binnen- en buitenland, zoals in 2005 de Tweede Symphonie van Mahler in de Symphony Hall in Birmingham. Harm Mannak, destijds directeur van het Orkest van het Oosten, vertelt later nog vaak over die bewuste avond. “Er zaten wel 2.000 mensen in de zaal, er was een enorme concentratie bij het publiek en bij de musici, de volle 92 minuten. Ik zag veel mensen met tranen in de ogen toen het afgelopen was, ook onder de musici. Na afloop ving ik Jaap van Zweden op naast het podium; ook hij was van de kaart. Ik heb een hele tijd met hem tegen de deur gezeten. Een uur na het concert kon ik mijn toespraak nog niet goed houden. In die zaal, daar gebeurde wat!”

(Uit het boek ‘Het verhaal 1933-2033’ over het Nederlands Symfonieorkest) 

Orkest van het Oosten brengt Tsjaikovski in 2001 in het Muziekcentrum. 

#9 Pastoor en Theaterdirecteur

Een van de grootste cultuurminnaars van het Twente in de jaren vijftiger is pastoor Johan Veeger uit Hertme. Naast zijn werk in de plaatselijke parochie leeft hij zich graag uit in de kunsten. Veeger schildert veel, boetseert zelf de koppen voor de kerststal en is gek op toneel en theater. In 1953 voert hij voor het eerst het bijbelse toneelstuk ‘Jozef in Dothan’ van Vondel op, met maar liefst 100 amateurtoneelspelers en 30 ruiters te paard.  
Het smaakt naar meer. De pastoor neemt het initiatief voor de oprichting van de Eerste Stichting Twentse Openluchtspelen (ESTO). Voor het openluchttheater staat hij een deel van het bos van de parochie af. Particulieren en bedrijven uit de wijde omtrek stellen 100 kubieke meter Bentheimer zandsteen beschikbaar voor het decor. En in 1955 is het zover: het openluchttheater van Hertme is klaar.  
De jaarlijkse Passiespelen in het theater zijn een groot succes. De kostuums voor de hoofdrolspelers en 300 figuranten worden gemaakt van stoffen die de pastoor lospeutert bij textielfabrikanten in de regio. Hij kent hen van het jagen. Na afloop van de jacht, tijdens het kruisjassen, regelt Veeger altijd de sponsorcontracten. Bussen met toeschouwers, zelfs uit Duitsland, overspoelen jarenlang het dorp voor de Passiespelen. Ook niet-religieuze stukken worden in het theater opgevoerd, zoals ‘De Paradijsvloek’ en ‘Midzomernachtsdroom’.  
De interesse voor de Passiespelen verflauwt eind jaren zestig. Er komen andere voorstellingen voor in de plaats: opera’s, operettes, kindervoorstellingen. Het Afrika festival doet z’n intrede. In de 21e eeuw programmeert poppodium Metropool openluchtconcerten. Ze bouwen allemaal voort op de erfenis van de legendarische pastoor Veeger.  

#8 De handtas van Rika Hopper 

Rika Hopper geldt als een van de Grandes Dames van het Nederlandse toneel. In 1954 is ze bezig met een afscheidstournee door Nederland. Ze speelt de rol van keizerin-weduwe in het stuk Anastasia. Het concertgebouw in Hengelo is op 25 en 26 februari aan de beurt.  
Omdat ze bij eerdere voorstellingen al zoveel bloemen heeft gekregen, schrijft Rika in een brief aan de Hengelose concertvereniging dat ze liever een ander afscheidscadeau wil hebben. ‘’Bijvoorbeeld een mooie flinke handtasch, die ik nodig heb. Verleden zomer bestelde ik bij de firma Van Winsen in Hengelo een groote groene reistasch. Als u en de andere dames en heeren daarvoor zouden voelen, kan ik deze de tweede dag, als we nog in Hengelo zijn, zelf uit gaan zoeken. Een beetje donker-muiskleurig, waar goed wat in kan.” 
Mocht de Hengelose concertvereniging liever iets anders willen geven, dan kan dat ook. Hopper geeft alvast een paar suggesties: een fles Old English lavendel, een fles 4711 Tosca eau de cologne, een doos goede zeep, een doos postpapier of een mooie platte poederdoos. In de kantlijn schrijft ze erbij: ‘’Of pecunia’’. Om af te sluiten met: ‘’Rika Hopper, de praktische idealist’’. 


Foto afkomstig uit het boek “Doek op!” van Marco Krijnsen.

#7 Louis Armstrong: You’ll Never Walk Alone

Bij de studentenvereniging van de Hogere Textielschool hebben ze eind jaren vijftig een spectaculair idee: laten we Louis Armstrong en zijn band vragen om te komen spelen voor ons lustrum. De Amerikaanse jazzlegende maakt 1959 een tournee door Europa. Waarom zou hij dan ook Enschede niet kunnen aandoen?  
Winkeliers uit de Haverstraat zijn bereid tot een financiële bijdrage en Armstrong zegt toe. 
Als locatie voor het concert is gekozen voor het Diekmanstadion. De grote uitdaging is om de band zo neer te zetten dat alle toeschouwers het optreden goed kunnen zien. Er wordt een draaiend podium gebouwd op de middenstip, voorzien van acht gummiwielen en een elektromotor. Het draait heel langzaam, anders zouden de muzikanten er last van krijgen. 
De publieke belangstelling valt behoorlijk tegen. Het stadion is allesbehalve uitverkocht: de krat telt hoogstens 5.000 toeschouwers. Het podium staat dus tijdens het concert gewoon stil.  Toch zal het optreden van de maestro legendarisch blijken. Een van de nummers die Armstrong en zijn band spelen, is: ‘You’ll Never Walk Alone’. Op dat moment is het nog een vrij onbekend nummer uit de musical Carousel. Pas in 1963, in een uitvoering van Gary and The Pacemakers, wordt het een echte hit. Nog later wordt het nummer omarmd door de fans van FC Twente, de club die begon in datzelfde Diekmanstadion.  

#6 Ontsnapping naar Engeland

In mei 1940 is de oorlogsdreiging groot in Nederland. Het Britse gezelschap Sadler’s Wells Ballet, met de wereldberoemde balletdanseres Margot Fonteyn, maakt een tournee door ons land. Het is een soort cultureel propagandamachine van de Engelsen, gericht tegen de Duitsers. Op dinsdag 7 mei is Hengelo aan de beurt. Het wordt een onaangename ervaring voor de artiesten. “We werden op straat uitgejouwd en nagespuugd. Ienglish! Liepstiek!’, riepen ze, terwijl ze achter ons aan liepen. We werden uitgefloten, uiterst onaangenaam. Het was overduidelijk dat die reacties vooral afkomstig waren van Duitsgezinden”, vertelt een van de leden van het gezelschap later. Het Sadler’s Wells Ballet geeft die avond in mei de geplande galavoorstelling in het Concertgebouw in Hengelo. De uitverkochte zaal reageert enthousiast. Ook de recensent van de plaatselijke krant prijst de ‘feilloze uitvoering’. Drie dagen later vallen de Duitse troepen ons land binnen en moet het gezelschap halsoverkop naar Engeland worden gerepatrieerd. Optredens in Haarlem en Amsterdam worden geschrapt. De balletdansers weten in de nacht van 13 op 14 mei 1940, onder escorte van Engelse torpedojagers, over zee Londen te bereiken. 

Beelden uit 1940 van de dansschool Sadler’s Wells in Londen.  

Foto afkomstig uit het boek “Doek op!” van Marco Krijnsen.

#5 Van Praag en Aken naar Enschede

Er zijn weinig Twentse dirigenten met zo’n veelbewogen leven geweest als Paul Pella. De als Paul Morgenstern geboren Oostenrijker maakt aan het begin van de 20e eeuw furore in Midden-Europa. Hij wordt directeur aan het Deutsches Theater in Praag en voert in de jaren twintig orkesten aan in verschillende Duitse steden. Als chef-dirigent van de opera in Aken breekt hij definitief door.  
Maar zijn Joodse komaf begin hem te achtervolgen. Pella neemt in 1932 noodgedwongen ontslag in Aken vanwege een anti-Joodse lastercampagne (opvolger wordt de nog jonge Herbert von Karajan) en vlucht naar Nederland om de Nederlandse Opera te leiden. Na de Duitse inval achtervolgt het noodlot hem opnieuw. De dirigent moet op verschillende plekken onderduiken om te overleven.  
Na de oorlog pakt Pella de draad weer op bij de Nederlandse opera, totdat hij in 1955 wordt gevraagd om dirigent te worden van het pas opgerichte Opera Forum in Enschede. Hij maakt het gezelschap in korte tijd tot een factor van betekenis in de muziekwereld. De waardering daarvoor blijkt op z’n zeventigste verjaardag, die in 1962 groots wordt gevierd in de Twentse Schouwburg. De staatssecretaris van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen biedt Pella een reis naar het buitenland aan ‘om zich te oriënteren wat er in de wereld op operagebied gaande is’. Burgemeester Thomassen van Enschede overhandigt de dirigent een envelop met inhoud ‘om de reis wat te versieren en verlengen’.  
Drie jaar later komt Paul Pella plotseling te overlijden. Hij wordt na een bezoek aan Wagners opera ‘Der Fliegende Holländer’ getroffen door een hartstilstand.  


Paul Pella Praag 1923

#4 Vier toneeltorens aan de kim

Met een concert van het Overijssel Filharmonisch Orkest en een optreden van cabaretier Henk Elsink wordt in september 1971 Cultureel Centrum De Hagen in Almelo feestelijk in gebruik genomen. Het kloppende hart van het complex is een schouwburgzaal met plek voor voor 760 toeschouwers. Het is bedoeld voor zowel amateurgezelschappen als professionele artiesten. Bijzonder is het zogeheten akoestisch plafond met 94 kleppen die hydraulisch geopend kunnen worden. Bij concerten staan de kleppen open en wordt het zaalvolume aanzienlijk vergroot. Voor cabaret en (streek)theaterproducties blijven de kleppen gesloten.  
Met De Hagen beschikt Twente nu over drie goed uitgeruste theaters: Enschede, Hengelo en Almelo. Het ontlokt de journalist van NRC Handelblad de volgende verzuchting: “Het verhaal gaat dat je bij helder weer vanuit de toneeltoren van De Hagen wel een viertal andere toneeltorens aan de kim kunt ontdekken. Het zal wel gelogen zijn, in elk geval voor een deel, maar het illustreert wel de groeiende veronderstelling dat in ons land theaters worden gebouwd alsof het niks is.” 
De Hagen is een uitbreiding en professionalisering van het cultuurpodium van de herensociëteit Tot Nut En Vermaak. De sociëteit heeft al vanaf het eind van de 19e eeuw een eigen gebouw met concertzaal aan de Grotestraat. Daar vinden regelmatig optredens plaats. “Vele artiesten van de Polyphonia-concerten, die toch de hele wereld overkomen en dus zeer vele officiële gebouwen leren kennen, spreken telkens weer ongevraagd hunne waardering uit voor ons Sociëteitslokaal”, constateert een sociëteitslid in 1935.

 

#3 Liever één kalkoen in de pot

“Cultuurspreiding is geen uitdelen van een voorraad, die in het Westen ligt opgetast. Cultuur moet wortelen waar ze tot uiting komt, levend in een eigen kunstbeoefening en een eigen cultureel centrum. Deze schouwburg biedt daartoe de mogelijkheden.” 

Met deze woorden opent minister Cals van Onderwijs Kunsten en Wetenschappen op 1 maart 1955 de Twentse Schouwburg. De cultuurtempel bestaat uit een concertzaal voor 900 bezoekers, een congreszaal, een bioscoop, een sociëteitsbal en een kegelbaan. De ruime orkestbak, waarin plek is voor 95 musici, is op dat moment de grootste van het land. Ook de theatertechniek is state-of-the-art. De schouwburg is dan ook de thuishaven van zowel het Overijssel Philharmonisch Orkest als Opera Forum. De opening wordt opgeluisterd door een uitvoering van de opera ‘Carmen’ van Georges Bizet.  
De totstandkoming van het gebouw is niet zonder slag of stoot gegaan. Al direct na de oorlog werden de eerste plannen gemaakt om aan de Langestraat een moderne schouwburg neer te zetten, als voortzetting van de hier gevestigde Grote Sociëteit. Eigenlijk staat het complex op een te klein terrein aan een te nauwe straat, vinden critici. Ook is de uitvoering soberder dan de bedoeling was. Maar burgemeester Van Veen telt vooral de zegeningen, zegt hij tijdens de opening in 1955: “Enschede heeft doorgezet omdat het liever één kalkoen in de pot had dan tien goudhaantjes in de toppen van de bomen van de boulevard, die er nog niet lag.” 

Foto's: Fotoarchief Brusse

#2 Vier dagen vakantie in Twente


Voor veel gezelschappen en artiesten zijn optredens in Twente jarenlang een logistieke uitdaging. Ze beschikken vaak niet over eigen auto’s en zijn afhankelijk van het openbaar vervoer. Voorstellingen beginnen daarom vaak vroeg, zodat acteurs en musici nog net de laatste trein naar het westen kunnen halen. 

“Vroeger speelden we vier dagen achter elkaar in Hengelo-Enschede”, aldus actrice Caro van Eyck in een interview aan de krant in 1962. “We logeerden dan in het hotel Bad Boekelo. Zo werden die dagen buiten het werken om een soort gezellige vakantie.” 
Collega-acteur Albert van Dalsum herinnert zich in datzelfde krantenartikel nog de avond dat hij in Hengelo was en er een Berlijns gezelschap optrad. ‘’Dat wilde nog de nachttrein van meen ik tien uur halen. Het raffelde toen het stuk af en holde, onafgeschminkt, naar de trein!’’ 
Ook zijn er duidelijke verschillen in smaak tussen het publiek in de Randstad en daarbuiten, aldus Van Dalsum: “In Amsterdam en ook in andere plaatsen in het westen mag men heel graag een blijspel zien, en dan mag het best wat frivool zijn. In het oosten houdt men, tenminste zo heb ik het steeds aangevoeld, meer van een stuk waarvan men dan zo graag zegt: daar neem je wat van mee. Laten we zeggen: een probleemstuk.’’ 

 


Albert van Dalsum regisseert en speelt Gijsbreght van Aemstel in 1949
 

#1 In Twente ontdekt Verkade het toneel 

De carrière van toneellegende Eduard Verkade begint in Twente. Deze zoon van de bekende brood- en beschuitfabrikant uit Zaandam is eigenlijk voorbestemd om in het familiebedrijf te gaan werken. In 1898 wordt hij naar Hengelo gestuurd om als volontair aan de slag te gaan in de machinefabriek van Stork. Hier ontdekt hij het culturele leven. Verkade wordt lid van een zangvereniging, musiceert regelmatig en treedt op met een soort literair cabaret.

Verkade wordt in 1901 oprichter van een kleine trijpweverij in Hengelo, maar kan het toneel niet loslaten. Hij speelt in een voorstelling en wordt gevraagd als regisseur van de plaatselijke rederijkerskamer Eensgezind. De voorstellingen hebben succes in De Beurs, het toenmalige culturele podium van Hengelo. ‘Het was een wonder zoals deze kunstenaar met slechts eenvoudige middelen het primitieve Beurstoneel een gedaantewisseling wist te doen ondergaan’, aldus een recensent.

Daarnaast wordt Verkade toneelmeester voor De Beurs. Hij zorgt voor passende meubels en decors. Toch klagen spelende toneelgezelschappen over de kleine slordige en soms tochtige kleedkamers en het krappe toneeltje.

Het verlangen naar het toneel groeit met de dag. Verkade neemt les bij de gerenommeerde toneelspeler Willem Royaards. Hij voert Macbeth op, voor het eerst op 7 oktober 1903 in de grote zaal van De Beurs. Daarna in Middelburg, Goes en Roosendaal. Het succes bevestigt Verkade in zijn gevoel dat hij voor de kunst moet kiezen. Hij neemt het definitieve besluit om de textielindustrie in Hengelo achter zich te laten. In 1904 verhuist hij met echtgenote Johanna naar Amsterdam om zich helemaal te richten op het toneel. 

 

Klik hier en geef je reactie!

Cookies

We maken gebruik van cookies en vergelijkbare technieken om het gebruik van de website te analyseren, om het mogelijk te maken content van derden af te beelden, zoals ook video’s, en voor verschillende andere toepassingen. Deze cookies worden ook geplaatst door derden. Door ‘akkoord’ te klikken, stemt u hiermee in. Als u niet akkoord bent, kunt u via de knop ‘Instellingen aanpassen’ uw voorkeuren opgeven. Meer informatie…

Cookies zijn nodig om de website goed te laten functioneren. Zo wordt uw winkelmandje onthouden tijdens de bestelling en kunt u inloggen op de website.

Maar cookies zijn ook nodig om de ervaring op de website te verrijken. Bijvoorbeeld media van derde partijen, zoals video's, gaan vaak gepaard met cookies. Ook houden we statistieken bij om de site doorlopend te verbeteren.

Als laatste worden cookies ook gebruikt om informatie rond onze marketing-activiteiten, zoals nieuwsbrieven en advertenties, zo efficiënt en persoonlijk mogelijk uit te kunnen uitvoeren.

Cookie instellingen